De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - Gisteren werd mijn aandacht getrokken door een krantenartikel over een schietpartij op 12 oktober 2012; bij het incident was het Commissariaat-generaal Special Units (CGSU) betrokken en viel er één dodelijk slachtoffer. Het CGSU omvat de speciale eenheden van de federale politie, het vroegere Speciaal Interventie Eskadron (SIE); het telt zowat vierhonderd manschappen.

Het onderzoek over de zaak is afgelopen, maar de familie van het slachtoffer, een bekend crimineel, heeft zich bij de onderzoeksrechter tegen de leden van het CGSU burgerlijke partij gesteld.

De wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen beschermt de politieambtenaar in het raam van het onderzoek. Die bescherming geldt uiteraard ook voor leden van het CGSU, maar de wet bevat geen specifieke bepaling over de bescherming van de anonimiteit van een politieambtenaar tegen wie klacht wordt ingediend bij de procureur des Konings of bij de onderzoeksrechter. In het raam van een onderzoek worden de leden van de politie doorgaans aangeduid met een code of met een schuilnaam; hun echte identiteit wordt normalerwijze nooit vrijgegeven.

Ik verdenk de familieleden van het slachtoffer ervan dat ze zich uitsluitend burgerlijke partij hebben gesteld om de identiteit van de schutter van het CGSU te kunnen achterhalen.

Kan de onderzoeksrechter, in geval van klacht met burgerlijke partijstelling, conform de geest van de wet van 8 april 2002 inzage in het dossier weigeren indien de verweerder een politieambtenaar is die onder de bescherming van deze wet valt? Bestaat hiervoor een rechtsgrond? Kan de onderzoeksrechter in bepaalde gevallen eigenmachtig de inzage in het dossier weigeren tot in een bepaalde fase van de procedure, bijvoorbeeld tot aan de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank door de raadkamer of eventueel zelfs tot aan een daadwerkelijke veroordeling?

Acht de minister de huidige wet van 8 april 2002 voldoende duidelijk? Zal de minister in voorkomend geval haar steun verlenen aan een interpretatieve wet, mocht die noodzakelijk blijken? Zelf ben ik graag bereid daaraan mijn volledige medewerking te verlenen.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - De wet van 2002 inzake de bescherming van de anonimiteit van de getuige biedt gedeeltelijke of volledige anonimiteit aan de speurder tijdens een onderzoek. Bovendien bepaalt het Wetboek van Strafvordering dat in het kader van de bijzondere opsporingsmethoden, de verslagen inzake observatie en infiltratie gedekt zijn door het beroepsgeheim, en dat de veiligheid en de anonimiteit van de speurders niet in gevaar mag worden gebracht. De anonimiteit van de speurders wordt dus beschermd in het raam van de wet van 8 april 2002, specifiek met het oog op represailles die men zou kunnen nemen als de identiteit en het adres van de speurder in het strafdossier vermeld worden. Ik verwijs in dit verband naar artikel 75ter van het Wetboek van Strafvordering.

Het indienen van een klacht met burgerlijke partijstelling tegen politiemensen bij de procureur des Konings of bij de onderzoeksrechter is uitzonderlijk, maar het is mogelijk. Ook speurders kunnen immers misdrijven plegen in het raam van een onderzoek en genieten bijgevolg geen immuniteit. Indien in het kader van het opsporingsonderzoek een klacht tegen een speurder wordt ingediend om kennis te krijgen van de persoonsgegevens van de betrokkene met het oog op represailles, kan de procureur des Konings de klager de toegang tot het dossier weigeren ook na het seponeren van het dossier.

Indien de mededeling van het dossier aan de verdachte een gevaar oplevert voor personen of een ernstige schending inhoudt van hun privéleven, kan de onderzoeksrechter dat wettelijk weigeren overeenkomstig artikel 61ter van het Wetboek van Strafvordering. Als echter de procureur op het einde van het gerechtelijk onderzoek zijn eindvordering aan de onderzoeksrechter bezorgt, krijgt de klager toegang tot het dossier. De identiteit van de onderzoeker kan niet worden afgeschermd, vermits hij het statuut heeft van beklaagde.

De risico's kunnen echter worden ingeperkt, bijvoorbeeld door enkel het kantooradres van de speurder in de processen-verbaal en in de eindvordering van het parket te vermelden. Onlangs heb ik bij de follow-up van de aanbevelingen van de werkgroep "Geweld tegen politieambtenaren" aan mijn administratie gevraagd die problematiek mee te onderzoeken.

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - Ik dank de minister voor haar antwoord.

Het was de bedoeling om de 400 personen van de speciale interventieteams van de politie steeds volledige anonimiteit te waarborgen. Zij komen in contact met zeer ernstige criminele feiten, met grote criminele organisaties.

We zullen toch nog iets verder moeten kunnen gaan dan de toepassing van artikel 61ter, aangezien de identiteit op een gegeven ogenblik niet kan worden afgeschermd.

In deze zaak ben ik er vast van overtuigd dat de criminele organisatie enkel en alleen met het oog op de identiteitsgegevens van de leden van het CGSU de klacht heeft ingediend. We moeten hier zeer voorzichtig mee omgaan.

« Terug naar overzicht